Mensen Die Iets Van Je Willen (Brrr!)

01-03-2013 20:42

Iedereen heeft wel een paar Grote Zonden. Zo heb ik een zwak voor koekjes en is de lijn tussen enthousiasme en obsessies bij mij vaag en snel overschreden. Bovendien gebruik ik de “onschuld” op mijn voorhoofd regelmatig als het niet echt noodzakelijk is. Sommige mensen noemen dat manipulatie. Ik noem het “onschuld” op mijn voorhoofd.

 
Ik wist een tijd lang niet veel meer van Jonny dan dat hij een Londense “echte” jazzgitarist was met een band en cd’s en verstand van muziek, waar “echte” journalisten met verstand van muziek “echte” artikels over schreven. Ik nam aan dat hij wel wat beters te doen had dan met mij een praatje maken, ik bedoel, ik speelde zonder gêne “Walking on sunshine” op straat. Hij hield zich ook wat afzijdig en kon ik hem niet goed peilen, misschien mocht hij me wel gewoon niet. Ook goed. En omdat ik me niet zoveel met hem bemoeide terwijl hij gewend was dat iedereen meteen op zijn lip zat, nam hij op zijn beurt aan dat ik dan wel wat beters te doen zou hebben. Bovendien leek ik hem “te aardig” en kon hij me verder niet zo goed peilen. Ik kwam in ieder geval maar zelden een praatje maken; misschien mocht ik hem wel gewoon niet. Ook goed. Daarmee was de basis voor een goede verstandhouding gelegd.
 
                                   
 
We bleken onze grootste Grote Zonde te delen: allebei paranoia voor Mensen Die Iets Van Je Willen. Brrr! Op een avond had Jonny ineens gezegd: “Hm, misschien heb ik wel gewoon iemand nodig die soms een beetje voor me zorgt. Ik moet af en toe gered worden, denk ik”. Het was de eerste keer dat hij zo’n persoonlijke toon aansloeg, en hoewel ik het een soort van dapper van hem vond en hoewel ik het roerend met hem eens was, gingen mijn alarmbellen meteen op tilt. “Nou, ík ga in ieder geval niemand redden.” Ook zijn alarmbellen stonden scherp: “Ik bedoelde ook niet jóu, ik bedoel in het algemeen”. Ergens tussen opluchting en verontschuldiging mompelde ik: “Mooi; ik heb voorlopig nog ruim genoeg aan mezelf.” Even checkte hij of ik hem niet voor de gek hield. “Wow, you are a rock, aren’t you?” antwoordde hij toen. “Maybe. It works for me. Anyway, I’m going now, see you later.” Ik wilde hem niet redden. Hij wilde niet door mij gered worden. Dat kon niet meer stuk.
 
Wie in Cádiz paranoia is voor Mensen Die Iets Van Je Willen (brrr!), vindt in het gezelschap van  zeldzame lotgenoten in eerste instantie een heerlijke vrijblijvendheid. Maar al snel blijkt dat die vrijblijvendheid als verbinding zichzelf natuurlijk hopeloos in de weg zit en dat er juist niets verwarrender is dan zo’n opbouwende vriendschap tussen twee mensen met een gedeeld verlangen naar wederzijdse onafhankelijkheid. Helemaal als je dan ook nog huisgenoten wordt in het huis van dueño Harold en zijn vriendin Charo. Pure verwarring.
                                     
 
Want kun je met je gedeelde verlangen naar wederzijdse onafhankelijkheid wel een plank in de koelkast delen? Kun je samen boodschappen doen? Voor elkaar boodschappen doen dan? “Heb jij nog iets nodig van de Carrefour?” “Als ik iets nodig heb, ga ik zelf wel.” “Oké”. Kun je samen naar de supermarkt lopen als je toevallig allebei iets nodig hebt? Is dat dan juist niet erger dan maar gewoon iets voor de ander meenemen? Moet je anders opsplitsen bij de schuifdeur? Na de mandjes? Extra opschieten om niet tegelijk bij de kassa’s aan te komen? En als je dat nou allebei bedacht had? Waar de Zonde normaal de eenvoud diende, maakte ze de simpelste dingen nu hopeloos ingewikkeld. Gelukkig kwamen we al snel stilzwijgend overeen dat praktische redenen, voor wie écht onafhankelijk is en dus ook van zijn eigen onafhankelijkheid, soms de doorslag mogen geven bij complexe problemen als deze. De plank in de koelkast was van “ons”. Brrr! 
 
                                        
 
Maar alles went, zelfs huisgenootschap, en na de eerste paar keer onwennig afrekenen bij de Carrefour duurde het zelfs niet lang of we werden maatjes, iets wat we misschien zelfs “onafscheidelijk” hadden kunnen noemen als we niet zo van dat woord hadden gegruweld. Ik bleek tot zijn opluchting minder aardig dan hij had gedacht en andersom: waar hij verwachtingen bleek te schuwen omdat hij het moeilijk vond om mensen teleur te stellen, had ik vooral geen zin in al het gedoe dat teleurgestelde mensen nu eenmaal veroorzaken. We glimlachten om de herkenning van Woody’s “ik wil geen lid zijn van een club die mij als lid zou willen”. Sommige mensen noemen dat bindingsangst. Wij noemden dat niet graag zo. Ik denk dat we bang waren dat we er dan aan vast zouden zitten. Gelukkig zijn er, als je goed zoekt, ook altijd wel clubs die je niet als lid willen.  
 
                                  

—————

Terug